Weblog december 2017

Een zoen voor een vriend

Als ik de zaal binnenkom en ze ziet me, zegt ze: ‘Daar is mijn vriend.’ Ik groet haar, pak een stoel en ga naast haar bed zitten. Haar hand zoekt al snel de mijne en vrijwel direct begint ze te huilen. Het leven valt haar zwaar. Ze is recent haar echtgenoot kwijtgeraakt na een huwelijk van 41 jaar. Met de kinderen heeft ze al jaren geen contact meer. Haar broers en zussen zijn al lang geleden overleden.

 

Ze is alleen op de wereld en nu ligt ze in het ziekenhuis. Ze is geopereerd en wacht op een plekje waar ze kan revalideren. En dan lijdt ze ook nog aan beginnende dementie. Dat uit zich vooral in een stuk radeloosheid en hulpeloosheid, niet zozeer in geheugenverlies. Ze weet nog heel goed wat haar recent allemaal is overkomen en zegt telkens weer: ‘Het is wat hoor, als je dat allemaal overkomt.’

 

Elke dag zoek ik haar even op. Elke dag voel ik wat ik allemaal niet kan doen. Ik kan haar verdriet niet wegnemen. Ik kan haar rouw niet verlichten. Ik kan haar eenzaamheid niet opheffen. Ik kan haar niet beloven dat ze weer lekker thuis zal kunnen wonen met haar vertrouwde spulletjes om zich heen. Maar ik zit naast haar. Ik kijk naar haar en ik luister. Ik houd haar hand vast. Af en toe aait ze mijn wang en zegt: ‘Je bent een lieverd hoor.’

 

Als ik opsta en zeg dat ik moet gaan, vraagt ze of ze me een zoen mag geven.

 

‘Eigenlijk mag dat niet, zeggen veel mensen’, zegt ze.

‘Nou, vooruit’, zeg ik. ‘Er mag zo veel niet.’

 

Er mag zo veel niet. En er is zo veel wat ik niet kan doen. Maar ik kan wel een vriend zijn, al is het maar voor een paar dagen. En wat is een vriend als je hem niet eens een zoen op zijn wang mag geven?

 

11 december 2017.

Buitenstaander

Wel zeker een paar keer per week hoor ik van een verpleegkundige of een arts: “Deze mevrouw (of meneer) heeft het heel zwaar, maar wil niet met jou praten, want 'ze heeft daar niets mee'.” ‘Daar’ verwijst dan meestal naar geloof, naar de kerk en alles wat daar mee te maken heeft. Ik kan het de patiënt niet kwalijk nemen. Van vroeger uit was een geestelijk verzorger iemand die aan je bed kwam om je de biecht af te nemen, met je te bidden of het sacrament der zieken toe te dienen. Ook hoor ik vaak: “Ze is daar nog niet aan toe”. Ook dat is begrijpelijk als een patiënt bij de geestelijk verzorger denkt aan iemand die bij je komt als je op het punt staat te overlijden.

 

Door de jaren heen is ons vak echter mee-ontwikkeld met de maatschappij. Steeds minder mensen geven aan een religieuze achtergrond te hebben, maar steeds meer mensen hebben behoefte aan een goed gesprek over hun ziekzijn: welke impact heeft dat op je leven en dat van je naasten, waar ben je bang voor, waar haal je kracht en troost uit, wat maakt dat je het volhoudt?

 

Gelukkig hoor ik dus ook een paar keer per week: “Als ik eerder geweten had dat het over dit soort dingen zou gaan, had ik dat al veel eerder gewild. Ik voel me opgelucht, een stuk lichter en ik heb weer wat dingen helder kunnen krijgen voor mezelf. Ik weet nu wat ik wat wil en ik weet weer wat belangrijk voor mij is.”

 

Dit betekent trouwens niet dat een gesprek met ons niet over geloof of kerk mag gaan, maar alleen als de patiënt daar zelf behoefte aan heeft! En stervensbegeleiding doen we ook, met liefde, maar gelukkig bestaat ons werk uit veel meer dan dat.

 

Veel van onze patiënten hebben lieve mensen om zich heen, maar soms is het fijn om even met een ‘buitenstaander’ te praten die niet emotioneel betrokken is bij je verhaal. Die rol van buitenstaander vervullen wij als geestelijk verzorgers graag!

 

18 december 2017.

Paginaopties: