Kinderanesthesiologie: naar de operatiekamer

Enige tijd voor de operatie krijgt het kind zonodig premedicatie. Dit zijn medicijnen die het kind, in afwachting van de operatie, rustiger maken. Het kind kan een slaperig gevoel krijgen. Als de medicijnen zijn ingenomen kan het kind het beste in bed blijven liggen of op schoot blijven zitten. Bij kinderen waarbij bloedvaatjes op de handrug te zien zijn kan een 'toverpleister' (pleister met verdovingszalf) opgeplakt worden. Zo kan zonder dat het pijn doet een infuus geprikt worden.

 

Op de operatiekamer

Voordat het kind in slaap gemaakt wordt, krijgt het eerst een soort knijpertje op een vinger of teen. Hiermee kunnen we het zuurstofgehalte in het bloed meten en het geeft ook meteen de hartactie aan.

 

Baby's en kleuters worden meestal met een kapje in slaap gemaakt, soms met een prikje. Door gewoon te ademen krijgen ze de anesthesiedamp binnen en vallen ze gauw in slaap. Soms maken ze nog wat bewegingen als de anesthesie begint te werken. De anesthesiedamp kunt u zelf ook ruiken. Daarom raden wij zwangere moeders aan niet mee te gaan naar de 'inleiding'.

 

Als uw kind in slaap is, brengt een verpleegkundige u terug naar een plek waar u kunt wachten tot het eind van de operatie.

 

Bij kinderen die een toverpleister hebben gekregen wordt eerst een infuus ingebracht. Via het infuus krijgt het kind middelen om te slapen en tegen de pijn. Uw kind valt dan heel snel in slaap.

Bij grote (buik)operaties kan uw kind een maagslang via de neus ingebracht krijgen. Soms is het nodig urineproductie te meten. Hiervoor krijgt uw kind dan een blaaskatheter. Deze slangetjes worden pas ingebracht als uw kind in slaap is.

Op de uitslaapkamer

Na de operatie gaat uw kind naar de uitslaapkamer. Uw kind blijft daar tot het goed wakker is. Als alle controles gedurende een bepaalde tijd goed blijven, mag uw kind terug naar de afdeling.

 

In principe mag op de uitslaapkamer slechts één ouder bij het kind zitten; dit is om redenen van rust en privacy van de andere patiënten. Als de situatie het toelaat, is het mogelijk dat twee ouders/verzorgers bij het kind mogen zitten.

Pijn en misselijkheid

Wanneer uw kind pijn heeft, krijgt het hiertegen pijnstillers, meestal in de vorm van een zetpil. Soms worden pijnstillers continue gegeven via een infuuspomp.

Misselijkheid komt bij kinderen gelukkig minder vaak voor dan bij volwassenen. Na operaties in de mond kan eventueel bloed het best uitgespuugd worden. Doorslikken veroorzaakt juist misselijkheid.

 

Kinderen die snel last hebben van wagenziekte of aan de oren of ogen worden geopereerd zijn sneller misselijk. Mocht uw kind misselijk worden dan krijgt het hier medicijnen voor (via het infuus of als zetpil).

Terug naar de afdeling

Als uw kind goed wakker is mag hij/zij weer terug naar de kinderafdeling. Samen met de verpleegkundige wordt uw kind opgehaald van de operatieafdeling en naar de kinderafdeling terug gebracht. Ook hier wordt uw kind regelmatig gecontroleerd en goed in de gaten gehouden.

 

Pijnstillers en middelen tegen de misselijkheid kunnen zonodig worden gegeven. Uw kind krijgt wat te drinken. Als dat goed verdragen wordt mag het beginnen met eten. Als drinken weer goed gaat, mag het infuus eruit.

 

De behandelend arts bepaalt wanneer uw kind naar huis mag.

 

De anesthesioloog blijft altijd bereikbaar als er onverwacht problemen zijn, of als u en uw kind nog vragen hebben die te maken hebben met de anesthesie.

 

Terug naar:

Lees verder:

Paginaopties: