Wondbehandeling naar behandelmethode: Gesloten

Met deze verbanden wordt er een wondmilieu gevormd waarin epitheel ongestoord kan uitgroeien en de groei van bacteriën wordt geremd. Het is een wankel evenwicht.

 

Ongunstige wondomstandigheden verstoren het evenwicht, waarbij bacteriën ongeremd groeien en er een wondinfectie kan optreden. Het succes van de behandeling hangt af van de indicatie met betrekking tot wondgrootte en diepte van de brandwond en de keus van het juiste middel.

 

Om het infectierisico te verminderen zijn wondbedekkers ontwikkeld die zijn geïmpregneerd met antibacteriële middelen zoals microkristallijn zilver5.

 

De indicatie voor een afsluitend verband is de niet-gekoloniseerde, tweedegraads brandwond met een beperkt oppervlak. In de praktijk is het bovendien van belang dat de verbanden goed op de wond aangebracht zijn en de contour van de wond goed gevolgd wordt. Daarom is de toepassing over gewrichten, de hals, de vingers, het perineum en de genitaalstreek vaak beperkt. Bij een aantal plakkende verbandmiddelen, waaronder hydrocolloiden en schuimverbanden, moet de wond omringd zijn door strook gezonde huid.

 

  • Het eenvoudigste natuurlijke afsluitende verband is de blaar die op de wond gelaten wordt6. Kleine oppervlakkige brandwonden over minder dan 2% van het lichaamsoppervlak kunnen bedekt blijven met een vlakke blaar. De blaar wordt, na punctie op de wond gelaten en tegen verschuiven gesteund met een paraffinegaas, waarover een absorberend verband wordt aangelegd.

    Na vijf tot maximaal zeven dagen wordt de blaar verwijderd, daar anders de kans groot is dat vochtophoping onder de blaar leidt tot verweking van de huid en remming van de wondgenezing. Na verwijdering van de blaar wordt, indien de wond niet genezen is, de therapie met een antimicrobiële crème voortgezet.

  • Poly -urethaanfolie. Als de blaar (deels) ontbreekt kunnen kleine oppervlakkige brandwonden ook met een plakkende folie worden afgedekt. Plakkende poly‑urethaanfolies, zoals Opsite® of Tegaderm® zijn beperkt doorlaatbaar voor lucht en water en ondoorlaatbaar voor bacteriën, en zijn voor dit doel geschikt7. De folie kan bij vochtophoping regelmatig worden gepuncteerd en wordt  na vijf tot zeven dagen verwijderd.

  • Hydrocolloïdale verbanden, zoals Duoderm® vormen een kunstmatige blaar op de wond. Het hydrocolloïd vormt een geleiachtig wondmilieu met een lage pH, waarin groei van bacteriën wordt geremd en waarin epitheel ongestoord kan uitgroeien8. Door de ontwikkeling van nieuwe verbandmiddelen wordt het niet veel gebruikt voor de behandeling van brandwonden.

    Een kleine, diepe brandwond van enkele centimeters doorsnee, zoals een contactverbranding is een goede indicatie. Het vochtige wondmilieu breekt de brandwondenkorst snel af en epithelialisatie kan vanuit de wondranden ongestoord plaatsvinden.

    Een voordeel van de plakkende membraneuze verbanden met een waterondoorlaatbare toplaag is dat geen aanvullende fixerende verbanden nodig zijn en dat de patiënten kortdurend kunnen douchen.

  • Hydrofiber verbanden. Aquacel®, is een poreuze membraan bestaande uit Natrium-carboxymethylcellulose. Direct na verbranding, wordt de wond na verwijderen van alle blaren belegd met Aquacel® met daarover een luchtig gaasverband. Eventueel wordt de wond eerst gedecontamineerd met een lokaal therapeuticum zoals zilversulfadiazinecrème (Flammazine®).

    Bij dagelijkse wondinspectie en zonodig verwisseling van niet adherente delen van het hydrofiberverband, treedt uiteindelijk adherentie op aan het wondbed binnen 3 dagen. Naarmate de brandwond geneest, droogt het materiaal in tot een droge korst, die loslaat op de genezen huidgebieden. Dit middel is geschikt voor oppervlakkig en diep tweedegraads brandwonden tot 5% lichaamsoppervlak9.

    Vergeleken met het locale therapeuticum zilversulfadiazinecrème, heeft het middel vooral voordelen met betrekking tot de pijn en verbandprocedures, daar het verband in situ blijft vanaf eerste moment van aanbrengen tot genezing van de wond.