Klinisch onderzoek
Dit bestaat uit vijf punten en bestaat uit zowel inspectie als palpatie van de wonden. Bij verbranding van negroïde huid kan palpatie soms de enige methode zijn om verbrandingen op te sporen.
Blaren:
Blaren zijn aan- of afwezig. Ze kunnen vlak of bol zijn, intact of niet intact. Als blaren ontstaan, bestaat er tenminste een tweedegraads verbranding. Tijdens het onderzoek kunnen losliggende blaren worden gedebrideerd en wordt gekeken of met roet bedekte huiddelen al of niet verbrand zijn.
Door stevig over de huid te wrijven kan onderscheid gemaakt worden tussen een vlakke intacte blaar of huidverkleuring. Indien er sprake is van een blaar is de huid verschuifbaar.
Wondaspect:
De wonden hebben verschillende kleuren en glanzen in meer of mindere mate. Een oppervlakkig tweedegraads brandwond is meestal licht roze glanzend. Diep tweedegraads brandwonden zijn meestal mat, niet egaal roze maar mottig, derdegraads brandwonden kunnen wit/geel/bruin maar ook mat rood zijn. Deze roodheid is niet wegdrukbaar ten gevolge destructie van rode bloedcellen in de haarvaten. Een dergelijke brandwond ontstaat bij langdurig contact met heet (kraan)water.
Soepelheid:
Hoe oppervlakkiger de brandwond hoe soepeler. Een oppervlakkig tweedegraads brandwond is soepel als normale huid. Een derdegraads brandwond is stug als deze vlammen is ontstaan. Een rode derdegraads brandwond ten gevolge van heetwater is echter soepel.
Capillaire refill:
De capillaire refill van een brandwond wordt getest door de huid 4 seconden in te drukken en vervolgens te kijken hoe snel de wond weer bijkleurt. In verband met de heterogeniciteit van de brandwond moet dit op meerdere plaatsen in de wond beoordeeld worden.
Hoe sneller de capillaire refill hoe oppervlakkiger de brandwond. In een gele of bruine of rode derdegraads verandert de wond niet van kleur bij indrukken, omdat er geen doorbloeding is van de wond. Deze test heeft de pinprik test en andere sensibiliteitstesten in de wond vervangen. De scratch test is eveneens obsoleet.
Pijn:
Dit betreft de algemene pijn beleving van de patiënt. Dus niet zoals boven reeds genoemd de lokale sensibiliteit van de wond. Tweedegraads brandwonden zijn zeer pijnlijk. Derdegraads brandwonden, waarbij de zenuwuiteinden in de wond beschadigd zijn, zijn weinig tot niet pijnlijk.
Elke patiënt met brandwonden heeft pijn doordat er bij elke brandwond sprake is van oppervlakkigere en diepere beschadiging van de huid. Echter de pijn die een patiënt met een grote derdegraads verbranding beleeft, is minder dan de grootte van de brandwond doet vermoeden.

